Op natte, grijze dagen, zoals wij die voorlopig weer achter ons gelaten hebben, kan je weinig anders doen dan weblogs afstruinen of een boek lezen. Of, als je wat mensen om je heen verzamelt, kun je ook ouderwets een spelletje spelen. Monopoly en Stratego zijn natuurlijk evergreens, maar er zijn ook vrij nieuwe spellen die erg leuk zijn. Vreemd genoeg komen die altijd uit Duitsland: voer voor sociologen. Kolonisten van Catan is natuurlijk een instant klassieker gebleken, maar iets minder ambitieus en meer vakantievriendelijk is er ook genoeg te beleven: het in Nederland ongekend populaire Koehandel is er een; Boonanza is minstens zo vermakelijk.
Toen ik Boonanza voor het eerst speelde, deed het me denken aan Grass, waarbij je wiet moet verbouwen en verkopen, maar dat wij natuurlijk kochten vanwege het hennepzakje waarin je goed je “pizzakruiden” kon bewaren.
In Boonanza is iedere speler de trotse bezitter van twee akkers. Op die akkers kunnen bonen geplant worden. Je kan maar één soort bonen op een akker planten en hoe meer bonen je op een akker hebt, hoe meer ze waard zijn wanneer je oogst. Het spel wordt interessant gemaakt doordat je iedere beurt je eerstvolgende kaart moet planten. Is die kaart niet van de soort die je al op je akkers hebt liggen, dan moet je eerst oogsten. Je mooie plannetje kan dus helemaal in het water vallen. Je mag ook ruilen met je medespelers, wat verplicht schijnt te zijn als je tegenwoordig een spel uitgeeft.
Wat heeft dit nu met de lente te maken? Wel, er zijn een stuk of acht verschillende soorten bonen, en die hebben alle hun eigen waarde. De “blauwe boon” (kennelijk een Duits woordgrapje) levert pas punten op vanaf vier kaarten, de chiliboon komt daarna, om via snijboon en ogenboon (die je nog kent van mijn afgelopen verjaarsfeestje) uit te komen bij de absoluut allerwaardevolste bonensoort: de tuinboon. Als je er daar drie van oogst krijg je meteen drie punten, evenveel als zeven bruine bonen.
De tuinboon moet dus wel iets ontzettend speciaals zijn. En dat is het ook. In Nederland heeft de tuinboon niet zo’n goede naam, wat komt omdat je vroeger alleen van die dikke oude kon krijgen met een hele bittere smaak. Hetzelfde verhaal als spruitjes eigenlijk, die ook heel smakelijk zijn maar vroeger (ook voor mijn tijd hoor) niet te pruimen waren.
Off-season koop je tuinbonen alleen in de diepvries, wat voor een door-de-weeks maaltje best kan, maar nu vind je ze vers op de markt. Het zijn lange groene schillen met enkele bonen erin, je moet ze dus zelf doppen, wat een heerlijk karweitje in voorbereiding op het eten is. De opbrengst is nog geen 20%, koop iets van een kilo per persoon.
Wat je overhoudt zijn de karakteristieke beetje ingedeukte, vrij blanke bonen. Het is dat lichtgroene schilletje dat bitter kan smaken bij oude exemplaren. Wanneer je helemaal iets bijzonders wil maken, kun je ook nog die schil eraf halen om een piepklein, zomergroen boontje over te houden. Dit is wat men “dubbel doppen” noemt. En omdat niets goed genoeg is voor (verg)eten, staat er dus dubbelgedopte tuinbonen op het eerstvolgende menu.